Frills also Can!

Er waren kleine vertaalproblemen, in het begin.

Alamak! You Goondo Angmoh so Kiasu! I choped, lah!”. Woedend wees de oudere man op het pakje tissues dat ik in mijn handen had.  Ik had werkelijk geen idee wat hij zei en waarom hij zo pissig was. Na een urenlange wandeling in de vochtige hitte was ik dolblij geweest toen ik neerplofte aan het enige vrije tafeltje dat ik zag. Galen had een loopneus en ik dacht nog: heerlijk land  is dit toch,  omdat er op het tafeltje een klein pakje zakdoekjes lag.  Overal was aan gedacht!

Galen was net het zijn snotneus aan het leeg toeteren in die zakdoekjes toen die verhitte gekkie opdook. Het werd zelfs een heus opstootje. Inmiddels hadden zich meerdere lokaloos lucht gekregen van dit akkefietje en ik voelde me behoorlijk ongemakkelijk, vooral omdat ik geen idee had van wat dit gedeelde ongenoegen veroorzaakt had.

Een langslopende jonge vent wilde het me wel even uitleggen.  Vrij vertaald had de man gezegd: “Sodeju, jij domme koloniale bleekneus met je akelige voordring gedrag! Ik had daar zakdoekjes neergelegd en ieder fatsoenlijk mens weet dan dat die tafel gereserveerd is en je er dus niet mag gaan zitten!”.

Weer wat geleerd. Ik begreep al niet waarom je overal die kleine pakjes zakdoekjes kon kopen. Inmiddels verlaat ik het huis niet zonder een stapel en  chope ik  -achteloos het pakje op een vrije tafel werpend- als een professional.

“Hello sir, thank you very much for stopping. Could you kindly take us to Pasir Panjang road, the part that is between Clementi and Haw Par Villa? It’s Gold Coast Condominium, in case you know that building, but otherwise I will just direct you as we approach the destination”.

De taxi chauffeur keek me geïrriteerd aan. “Huh?”, snauwde hij. Ik dacht dat ik vrij helder mijn verzoek verwoord had, maar dat was in de tijd dat ik nog dacht dat er in Singapore Engels werd gesproken.

Maleis, Hokkien, Cantonees, Mandarijn, Tamil en Engels: de creooltaal die ontstond na de onafhankelijkheid is weliswaar een nagel aan de doodskist van de overheid die Hoog Engels als standaard wil, maar het is zeer de taal van de straat. Singlish is ook ontzetttend economisch: de zinnen zijn kort. Inmiddels weet ik dus dat ik de eerder genoemde chauffeur slechts had hoeven vragen: “Uncle, Haw Par Villa, Can?” en als hij dan “Can” had gezegd had ik kunnen instappen.

En dus adverteert de low budget airline Scoot in de taxi’s met de slogan “Frills also can”. En begrijp ik inmiddels onmiddellijk dat er bedoeld wordt: “U denkt wellicht dat u vliegt met een maatschappij waarbij alle comfort geschrapt is teneinde de prijs omlaag te krijgen, maar indien u dat wenst, kunnen wij u alle toeters en bellen leveren die u gedurende uw reis zou willen genieten.”

De meertalige chocoprins wisselt inmiddels sneller van taal dan van tanden.  Als onze hulp Rusini “Ayo, so hot, lah!” zegt, antwoort hij in soepel Singlish met “On the aircon, aunty!” om mij vervolgens in het Nederlands om een stroopwafel te vragen.

Overigens wordt hier iedereen van een zekere leeftijd aangesproken met Aunty of Uncle. Dat vond ik eigenlijk wel sympathiek . Totdat ik vorige week in de supermarket stond te bellen en op mijn schouders werd getikt door een oud besje die sneerde: “Aunty!  You eat snake, lah?  Look at Queue, you talk cock.”

(“Hee ouwe, doe es niet zo sloom. Je ziet toch dat de rij vooruitschuift? Ophouden met ouwehoeren nou!”)

Afgeschreven naar het rijk der Aunties, en op mijn flikker gekregen door een bejaarde. Ik heb er zelfs in het Singlish geen woorden voor.

Gong Xi Fa Cai

Boodschappen doen hier heeft vaak iets weg van een antropologische excursie. Er is net een nieuwe voorraad Doerian uitgeladen. Een buitengewoon merkwaardig stuk fruit dat nogal veel vraagt van de reuk- en smaakpapillen. “Met het eten ervan offer je je zelfrespect op”, schreef de 19e eeuwse Amerikaanse journalist Bayard Taylor. De Franse naturalist Henri Mouhot was een stuk minder subtiel: “toen ik het voor het eerst proefde deed het me denken aan het vlees van een dier in verregaande staat van ontbinding”. Zelf houd ik het op vol gekotste zweetsokken. Singaporezen zijn er dol op, al staat er vanwege die geur een forse boete op het meenemen van de delicatesse in het openbaar vervoer.

Terwijl ik mijn een weg baan tussen de enorme bakken, observeer ik een piepklein tanig vrouwtje, dat ik 113 jaar oud schat. In luidruchtig Hokkien (of is het Teochew?) vuurt ze vragen af op de winkelmedewerker die toevallig naast de aanbieding van de week staat: een grote glazen bassin met levende kikkers. Ze zijn wat je je voorstelt bij een “kus me, en ik verander in een prins” kikkers: groot en helder groen kijken ze met hun uitpuilende ogen hoe deze mensen recepten voor “claypot frog” uitwisselen en vergelijken welke lichaamsdeeltjes het sappigst zijn en of wokken, of juist braden betere resultaten geven.
 
Ietsje verder staat het bassin waarin levende alen over elkaar heen glijden, naast de bak met zeekomkommers. (Trouwens, herhaal niet mijn fout door dat gerecht in de lokale horeca te bestellen, denkend dat je een vegetarisch delicatesse krijgt voorgeschoteld. De arme beestjes zien er uit als de onfortuinlijke liefdesbaby’s van rauwe gevulde ingewanden en gigantische wormen). Serveersuggesties en sausjes staan behulpzaam uitgestald naast de bakken.

En net als je denkt dat het voedsel niet exotischer dan dat kan worden, staat Chinees Nieuwjaar voor de deur. Er is een gigantische hoeveelheid van zeer specifieke gerechten, die hun weg naar het feestmenu vindt doordat de buitensporig bijgelovige Chinezen ze “auspicious” vinden. En de determinerende factor is taal. Omdat het Chinese word voor “vis” hetzelfde klinkt als “overvloed” staat het op tafel. Hetzelfde geldt voor mandarijntjes: ze staan voor voorspoed en geluk omdat de Chinese karakters klinken als “geluk” en daarbij zijn ze oranje, wat het dichtstbij de kleur goud staat.

Het allesoverheersende bijgeloof dat hoe iets klinkt gelijk staat aan het eigen lot, gaf ons trouwens een fijne onderhandelingspositie toen we ooit over de huur moesten onderhandelen. Het vooruitzicht in een appartement met nummer 04-04 te moeten wonen, maakte potentiele huurders zeer nerveus. Nummer 4 representeert de dood, en niemand zou bij zijn volle verstand in de dubbele dood gaan wonen, toch? Een prima uitgangspositie voor een gesprek met de eigenaar. En ja hoor, we zijn er nog.

Maar het allerfijnste aan Chinees Nieuwjaar is dat ik een tweede kans krijg om me aan mijn Nieuwjaarsvoornemens te gaan houden die helaas alweer gesneuveld zijn. “Droge Januari” duurde mij twee weken voor ik voor de bijl ging voor een glas witte wijn. (Ok, het was meer een fles) en mijn vaste plan om voortaan mijn gezonde lunch mee te nemen was van de baan toen ik me versliep en me vergreep aan een gigantische vette kantinehap. Vandaag, zondag, maak ik een enorme bak gezonde quinoa salade, om de komende dagen mee te nemen. En dan drink ik een klein glaasje terwijl ik al het snijwerk doe. Het is tenslotte net Nieuwjaarsavond!

Buitenkant

Met rimpels is het net zoiets als met intensieve kennis hebben van Star Trek Trivia. Hoewel het in een zeer specifieke context je geloofwaardigheid enorm kan opkrikken, geeft het ruimhartig etaleren ervan je in verreweg de meeste sociale situaties de genadeklap.

De strakke Yummie-mummies die ik hier bij Galen zijn playdates tref–veelal 10 jaar jonger dan ik, minstens 20 kilo lichter, en dan vlij ik mezelf nog – zijn allemaal al aan de Botox.

Geschrokken wijst een elfje van pak’m beet, 25, op mijn voorhoofd. “Daar kunnen ze wat aan doen hoor!”, roept ze indiscreet hard op het verjaarspartijtje van haar driejarige, en kijkt met die mengeling van fascinatie en afschuw die mensen bevangt als ze een rariteitenkabinet bezoeken. Terwijl ik haar hartelijk bedank voor de tip (in gedachten haar vervloekend voor deze “tough love” en me voel als de Vrouw met de Baard) vertelt ze onbekommerd over de cosmetische behandelingen die ze per maand ondergaat. Juist Botox ja, want daarmee hoopt ze rimpelvorming juist te voor te zijn. Ze weet nog net in te slikken dat ze wil voorkomen er zo uit te zien als ik.

Deze scene van expats is zeker niet de enige, maar een opvallend oppervlakkige. Veel “vrouwen van”, wier conversatie de 5 “Cs niet ontstijgen. (Car, Condo, Credit Card, Cash, Country Club). Maar verreweg de meeste mensen met wie we hier optrekken kun je met goed fatsoen geen Expats meer noemen. Ze wonen hier al 18 jaar, hun kinderen zijn hier geboren of opgegroeid en ze zijn eerder een interessante cultuur potpourri.

Ik heb me inderdaad drukker gemaakt om het uiterlijk van ons huisje, en het innerlijk van mijn mannen, dan om mijn eigen looks. Maar toen de uitgroei in mijn haren zelfs voor Google Earth zichtbaar was, werd het me echt te gortig. De eerder genoemde dames hadden me al getipt “Giuseppe is de enige die mijn haar mag aanraken”, “Je moet naar Toni & Guy, maar alleen senior stylist Isho kan high lights”. Een belrondje leverde de informatie dat ik over 4 weken terecht kon, en voor het schertsbedrag van 300 dollar wilde een van deze knipnichten wel wat verf in mijn bosje hooi smeren. Dat werd me te gortig en mijn knieperige Nederlandse inborst protesteerde hevig. Godzijdank is daar dan internet, en via een forum van prijsbewuste expats kwam ik terecht bij Bryna.

Daar zat ik, in haar piepkleine HDB (Housing Development Board; sociale woningbouw) flat, hevig te detoneren. Zo’n dikke blonde vrouw, en dan zo’n frêle Chinees hertje ernaast. In een razend tempo kletste ze in razend Singlish over haar problemen (cross cultureel een “no-brainer”: mannen, natuurlijk), en al even snel wikkelde ze mijn hoofd in verf en folie. Tot slot even met de wierook langs
mijn lijf (geen idee) en klaar. Voor het bedrag waar zij een week van kan leven, en de Yummie-mummies dagelijks voor lunchen, stond ik met weer een ander perspectief op deze samenleving buiten.

Ook Singapore zelf is een stad van uiterlijkheden. Toen Hans me blij ons appartement liet zien bij aankomst, vroeg ik me hardop af waarom hij nou net dat ene complex had uitgekozen direct naast een luidruchtige constructieplaats. Schaterend vertelde Hans me dat heel Singapore een bouwput is. Daar blijkt niets aan gelogen. Gebouwen worden hier niet voor de eeuwigheid gemaakt, en zakelijk succes wordt geëtaleerd door nieuwe, bij voorkeur architectonische hoogstandjes neer te zetten. De binnenkant van de stad ontdek ik mondjesmaat, vooral omdat ik met de kleine chocoprins aan mijn rokken een beperkte actieradius heb.

Hij past zich razendsnel aan, trouwens. Hij eet al even graag noedels als boterhammen met pindakaas, hij begint al aardig wat Engels op te pikken en als ik Singapore uitspreek als “Singapoer”, corrigeert hij me in Singlish: “neehee, nonono, het is Singapoh!”. Als ik hem van school haal, en vraag aan de juf hoe hij het doet, verzekert ze me dagelijks dat het geweldig gaat. Want, zegt ze, hij is “Very obedient”, en dat is een hele belangrijke waarde in deze cultuur. Jaja, denken Hans en ik. Wij weten wel beter: dat is natuurlijk allemaal buitenkant.