Buitenkant

Met rimpels is het net zoiets als met intensieve kennis hebben van Star Trek Trivia. Hoewel het in een zeer specifieke context je geloofwaardigheid enorm kan opkrikken, geeft het ruimhartig etaleren ervan je in verreweg de meeste sociale situaties de genadeklap.

De strakke Yummie-mummies die ik hier bij Galen zijn playdates tref–veelal 10 jaar jonger dan ik, minstens 20 kilo lichter, en dan vlij ik mezelf nog – zijn allemaal al aan de Botox.

Geschrokken wijst een elfje van pak’m beet, 25, op mijn voorhoofd. “Daar kunnen ze wat aan doen hoor!”, roept ze indiscreet hard op het verjaarspartijtje van haar driejarige, en kijkt met die mengeling van fascinatie en afschuw die mensen bevangt als ze een rariteitenkabinet bezoeken. Terwijl ik haar hartelijk bedank voor de tip (in gedachten haar vervloekend voor deze “tough love” en me voel als de Vrouw met de Baard) vertelt ze onbekommerd over de cosmetische behandelingen die ze per maand ondergaat. Juist Botox ja, want daarmee hoopt ze rimpelvorming juist te voor te zijn. Ze weet nog net in te slikken dat ze wil voorkomen er zo uit te zien als ik.

Deze scene van expats is zeker niet de enige, maar een opvallend oppervlakkige. Veel “vrouwen van”, wier conversatie de 5 “Cs niet ontstijgen. (Car, Condo, Credit Card, Cash, Country Club). Maar verreweg de meeste mensen met wie we hier optrekken kun je met goed fatsoen geen Expats meer noemen. Ze wonen hier al 18 jaar, hun kinderen zijn hier geboren of opgegroeid en ze zijn eerder een interessante cultuur potpourri.

Ik heb me inderdaad drukker gemaakt om het uiterlijk van ons huisje, en het innerlijk van mijn mannen, dan om mijn eigen looks. Maar toen de uitgroei in mijn haren zelfs voor Google Earth zichtbaar was, werd het me echt te gortig. De eerder genoemde dames hadden me al getipt “Giuseppe is de enige die mijn haar mag aanraken”, “Je moet naar Toni & Guy, maar alleen senior stylist Isho kan high lights”. Een belrondje leverde de informatie dat ik over 4 weken terecht kon, en voor het schertsbedrag van 300 dollar wilde een van deze knipnichten wel wat verf in mijn bosje hooi smeren. Dat werd me te gortig en mijn knieperige Nederlandse inborst protesteerde hevig. Godzijdank is daar dan internet, en via een forum van prijsbewuste expats kwam ik terecht bij Bryna.

Daar zat ik, in haar piepkleine HDB (Housing Development Board; sociale woningbouw) flat, hevig te detoneren. Zo’n dikke blonde vrouw, en dan zo’n frêle Chinees hertje ernaast. In een razend tempo kletste ze in razend Singlish over haar problemen (cross cultureel een “no-brainer”: mannen, natuurlijk), en al even snel wikkelde ze mijn hoofd in verf en folie. Tot slot even met de wierook langs
mijn lijf (geen idee) en klaar. Voor het bedrag waar zij een week van kan leven, en de Yummie-mummies dagelijks voor lunchen, stond ik met weer een ander perspectief op deze samenleving buiten.

Ook Singapore zelf is een stad van uiterlijkheden. Toen Hans me blij ons appartement liet zien bij aankomst, vroeg ik me hardop af waarom hij nou net dat ene complex had uitgekozen direct naast een luidruchtige constructieplaats. Schaterend vertelde Hans me dat heel Singapore een bouwput is. Daar blijkt niets aan gelogen. Gebouwen worden hier niet voor de eeuwigheid gemaakt, en zakelijk succes wordt geëtaleerd door nieuwe, bij voorkeur architectonische hoogstandjes neer te zetten. De binnenkant van de stad ontdek ik mondjesmaat, vooral omdat ik met de kleine chocoprins aan mijn rokken een beperkte actieradius heb.

Hij past zich razendsnel aan, trouwens. Hij eet al even graag noedels als boterhammen met pindakaas, hij begint al aardig wat Engels op te pikken en als ik Singapore uitspreek als “Singapoer”, corrigeert hij me in Singlish: “neehee, nonono, het is Singapoh!”. Als ik hem van school haal, en vraag aan de juf hoe hij het doet, verzekert ze me dagelijks dat het geweldig gaat. Want, zegt ze, hij is “Very obedient”, en dat is een hele belangrijke waarde in deze cultuur. Jaja, denken Hans en ik. Wij weten wel beter: dat is natuurlijk allemaal buitenkant.